Lichamelijke gezondheidszorg
Meer weten: literatuur

 

Inhoud

- Oorsprong

- Nederlandse katholieke ziekenhuizen

- Organisatie en personeel

- Genezing volgens katholieke normen

- Bekering

 

Oorsprong

De katholieke gezondheidszorg vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwse caritas: zieken moesten verzorgd worden omwille van hun zielenheil en dat van hun verzorgers. Lichamelijke genezing was niet aan de orde, ziektes waren een signaal van God dat niet bestreden mocht worden. Aan het begin van de negentiende eeuw zorgden de snelle ontwikkelingen in de medische wetenschap voor veranderingen in de ziekenzorg. In plaats van verzorging werd genezing het primaire doel. Vanaf de jaren 1850 kwamen de particuliere ziekenhuizen op: ziekenhuizen die gesticht werden door rijke weldoeners of religieuze ordes.

 

Nederlandse katholieke ziekenhuizen

Het eerste Nederlandse katholieke ziekenhuis werd opgericht in 1826 te Breda. Vooral vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw nam het aantal katholieke ziekenhuizen snel toe. Dit als gevolg van de verzuiling maar ook door de slechte reputatie van openbare ziekenhuizen. De katholieke ziekenhuizen werden gefinancierd door de stichtende orde (die hun geld weer uit collectes, giften maar vooral legaten haalde). In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond de Nederlandse verzorgingsstaat, die langzaam steeds meer financiŽle en later ook bestuurlijke verantwoordelijkheden van de ordes overnam. Ook kon men vanaf 1900 perifere en specialistische ziekenhuizen onderscheiden. In Nederland stond ťťn katholiek universitair ziekenhuis: het in 1956 gestichte Sint Radboudziekenhuis te Nijmegen.

Katholieke verzorgingshuizen zijn altijd blijven bestaan. Hier worden zieken opgenomen zonder dat men ze probeert te genezen. Verpleeghuizen bieden een intensievere vorm van zorg. Hiernaast is nog te wijzen op hospices (zorgtehuizen voor ongeneeslijk zieken die op sterven liggen), deze kennen vaak een katholieke signatuur ook al is de hospicebeweging pas iets van de laatste tien jaar. Een groot deel van deze instellingen wordt bemenst door vrijwilligers.

Ten slotte is er nog het isolatieziekenhuis, vaak ondergebracht in een paviljoen op het terrein van een perifeer ziekenhuis. Al ver voor de Middeleeuwen werden mensen die ofwel geestelijk ziek waren, of infectieziekten zoals tuberculose met zich meedroegen, al geÔsoleerd.

 

Organisatie en personeel

De katholieke ziekenhuizen werden geleid door een bestuur met aan het hoofd een leek (de geneesheer-directeur). De verpleging was in handen van religieuzen, met aan het hoofd de moeder overste, die in dagelijks overleg stond met de geneesheer-directeur. Spanningen tussen deze twee autoriteiten waren geen ongewoon verschijnsel; het leiden van een ziekenhuis werd vanuit twee verschillende oogpunten bekeken. De zusters stonden bovendien aan de ene kant als religieuzen onder de verantwoordelijkheid van moeder-overste en daarna pas onder die van de geneesheer-directeur, maar aan de andere kant moesten ze toch gehoorzamen aan de leider van het ziekenhuis; diezelfde geneesheer-directeur. Dit kon aanleiding geven tot loyaliteitsproblemen. Vanaf de jaren 1920 nam het aandeel religieuze verpleegsters in ziekenhuizen snel af en namen leken hun plaats in. Ze kregen een goede opleiding en er was strenge selectie. Sinds de jaren 1960 zijn er vrijwel geen religieuzen meer actief.

 

Voor de negentiende eeuw zagen artsen hun ziekenhuiswerk als bijbaantje: ze kwamen snel even langs om advies te geven. Na 1800 veranderde dit en werden artsen deel van de reputatie van een ziekenhuis.

 

Genezing volgens katholieke normen           

In een katholiek ziekenhuis wilde men op de eerste plaats zieken genezen, maar net zo belangrijk was dat dit proces volgens katholieke normen verliep. De katholieke identiteit kwam tot uiting in zowel het personeel (religieuzen geleid door een moeder-overste) als in het als vanzelfsprekend beschouwde morele kader. Secularisering van de Nederlandse samenleving zorgde ervoor dat vanaf de jaren 1960 de kritiek op naar levensbeschouwing georganiseerde ziekenzorg steeds groter werd. Het vanzelfsprekende morele kader verdween en werd vervangen door discussies over ethiek. Als behandelmethodes of operaties niet strookten met kerkelijke moraal dan gaf dit problemen. Vooral inzake geboorteregeling en stervensbegeleiding verschilde het beleid in katholieke ziekenhuizen vaak met dat van openbare ziekenhuizen.

 

PatiŽnten werden net als in ander ziekenhuizen ingedeeld naar Ďklasseí: des te meer ze betaalden, des te betere verzorging ze ontvingen. Voordat de verzorgingsstaat gestalte kreeg werden de armen gratis behandeld.

 

Bekering

Vanaf het begin van de twintigste eeuw nam het aantal niet-katholieke patiŽnten in katholieke ziekenhuizen toe. Toch wilde de katholieke ziekenhuizen het katholicisme blijven uitdragen. Bekering van randkerkelijken, protestanten en af en toe zelfs Joden kwam dan ook regelmatig voor. Vanaf de jaren 1920 werd als de patiŽnten daar om vroegen een protestantse geestelijke toegelaten. Alle patiŽnten, ongeacht religieuze overtuiging, ontvingen dezelfde zorg maar moesten ook meedoen aan de typisch katholieke activiteiten en rituelen zoals feestdagen en de stilte voor het eten.

.

Meer weten
Literatuur:

- Arie Querido, Godshuizen en gasthuizen (Amsterdam 1967)
Deze studie legt uitstekend uit hoe de westerse lichamelijke geneeskundige zorg is ontstaan. Het verhaalt over de veranderende functie van een ziekenhuis, de vorm, de middelen, het personeel en de verhouding tussen het ziekenhuis in de maatschappij.

- Jurjen Vis, Onder uw bescherming: de katholieken en hun ziekenzorg in Amsterdam (Amsterdam 1998)
Door middel van een casus (de ziekenzorg in Amsterdam) geeft deze studie veel informatie over hoe de katholieken nu concreet hun lichamelijke gezondheidszorg vorm gaven. Ook analyseert Vis wat men nu precies onder katholieke ziekenzorg verstond.

-Ben Schmitz, Van zorg naar zorgminuten: een terugblik op vijftig jaar Johanneshove (Nijmegen, 2005)
Een mooi boek over geschiedenis van een katholiek bejaardentehuis. Hierin komt onder andere duidelijk naar voren hoe deze instantie zich naar aanleiding van de ontwikkelingen in de maatschappij, zoals secularisering maar ook bijstandswetten, aanpaste aan de tijdsgeest.