Geestelijke gezondheidszorg
Meer weten: literatuur

 

Inhoud

- Definitie

- De jaren 1920: voorwerk

- De verenigingen

- Na de Tweede Wereldoorlog: verwetenschappelijking

- De jaren 1960: secularisatie

- De geestelijke gezondheidszorg tegenwoordig

- Meer informatie

 

 

Definitie

De term ‘katholieke geestelijke gezondheidszorg’ heeft betrekking op zowel de (klinische) zorg voor geesteszieke patiënten als de voorlichting aan de katholieke bevolking ter preventie van geestelijke ongezondheid. Pas in de negentiende eeuw groeide het idee dat de maatschappij verantwoordelijk was voor de zorg voor de sociaal en psychisch zwakkeren (al ging (her)opname in de samenleving nog te ver); daarvoor werden deze mensen zoveel mogelijk buiten de maatschappij gehouden.

 

De jaren 1920:  voorwerk

Onder invloed van de Amerikaanse ‘movement for mental hygiene’ begonnen de katholieken in Nederland in de jaren twintig als eerste de geestelijke gezondheidszorg te moderniseren: de veeleisende industriële samenleving veroorzaakte veel psychologische problemen die liefst voorkomen maar ook genezen moesten worden.

 

De verenigingen

De katholieken handelden vanuit de opvatting dat een goed katholiek geloofsleven heilzaam was voor de geestelijke gezondheid. Het initiatief kwam van ‘bovenaf’: hooggeschoolde priesters en leken pasten de vernieuwende Amerikaanse manier van denken toe op de Nederlandse situatie. Dit leidde in 1930 tot de stichting van de Rooms Katholieke Charitatieve Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid door de psychiater C.T. Kortenhorst. Door samenwerking met het Wit-Gele Kruis kon men de bevolking gemakkelijk bereiken. De Charitatieve Vereniging werd in 1949 omgedoopt tot Katholieke Centrale Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid (KCV). In 1952 werd het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg (KNBGG) opgericht: dit bureau zou het uitvoerend orgaan van de KCV worden.

 

De KCV concentreerde zich op principiële kwesties en theorievorming (bijvoorbeeld positiebepaling ten opzichte van de seksuele moraal). Hierin werkte ze nauw samen met het meer op de praktijk gerichte KNBGG, dat zowel de aangesloten bureaus en psychiatrische instellingen ondersteunde als de katholieken voorlichtte op het gebied van huwelijk, opvoeding en seksualiteit. Het KNBGG werkte vanuit een breed scala aan invalshoeken: de directeur, A.J.H. Bartels, een econoom, werd bijgestaan door adviseurs uit de academische werelden van de psychologie, sociologie en psychiatrie.

 

Na de Tweede Wereldoorlog: verwetenschappelijking

Voor de Tweede Wereldoorlog hadden de leiders van het Wit-Gele Kruis en de (meestal conservatieve) katholieke artsen het voor het zeggen in de katholieke beweging voor geestelijke gezondheidszorg. Vanaf de jaren 1950 werden dit echter mensen uit de universitaire wereld van de psychologie.

 

Er ontwikkelde zich binnen de universitaire katholieke kringen een streven naar de bestrijding van het ‘verkrampt geloof’: er was een discrepantie ontstaan tussen de strenge voorschriften van het geloof (met name de seksuele moraal) en de praktijk van het leven. Deze situatie was ‘geestelijk ongezond’, een term die duidt op een omslag in denken: het strikt volgen van de leer werd nu juist als ‘gekmakend’ gezien. De hoogleraar psychologie F.J.J. Buytendijk (voorzitter van de Charitatieve Vereniging vanaf 1948) streed samen met andere kopstukken als Bartels, H.J.C.M.G. Ruygers en de door zijn toespraken in de KRO-radioprogramma’s bij heel katholiek Nederland populaire psychiater C.J.B.G. Trimbos voor deze ‘geestelijke bevrijding’.

 

 Aan de universiteit van Nijmegen werden veel nieuwe theorieën met betrekking tot geestelijke gezondheidszorg ontwikkeld. De hoogleraren psychologie P. Calon en H. Fortmann waren sleutelfiguren in de zogenaamde ‘psychologie van Nijmegen’. Niet alleen hun universitair publiek maar ook ‘gewone’ priesters en katholieken gingen door de psychologisering van het katholicisme twijfelen aan zaken als de zondigheid van de seksuele moraal. Deze bevindingen waren een belangrijke bouwsteen voor de ‘aggiornamento’-beweging.

 

De in de jaren 1950 gestalte krijgende verzorgingsstaat zorgde ervoor dat de overheid steeds meer subsidiegelden in de verschillende bureaus voor geestelijke gezondheidszorg stopte. In ruil stelde de overheid wel voorwaarden zoals bijvoorbeeld geschoold personeel. Deze maatregelen droeg bij aan de professionalisering van de zorg.

 

De jaren 1960: secularisatie

In de jaren 1960 leidde de groeiende maatschappelijke twijfel over de relevantie van een specifiek katholieke vorm van geestelijke gezondheidszorg tot discussie. Het KNBGG ging bovendien door het praten over onder andere het legaliseren van abortus regelmatig tegen de katholieke leer in. In 1972 (toen de Nederlandse ontzuiling voor het overgrote deel compleet was) fuseerde het KNBGG met de andere drie landelijke organisaties tot het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NSGV). Dit was de voorloper van de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG), die in 1982 werd opgericht.

 

De geestelijke gezondheidszorg tegenwoordig

Kort voor de fusie in 1972 was de KCV echter omgevormd tot het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV). Dit instituut bestaat nog steeds: ze proberen de religie terug in de geestelijke gezondheidszorg te plaatsen.

 

Meer informatie

Hier kan je meer (achtergrond)informatie vinden over de volgende onderwerpen:

 

- De geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg

- De KCV

- De KNBGG

- Wetenschappelijke vernieuwingen na de oorlog

- Fusering en secularisering

- De geestelijke gezondheidszorg tegenwoordig

.

Meer weten
Literatuur:

-Hanneke Westhoff, Geestelijke bevrijders: Nederlandse katholieken en hun beweging voor de geestelijke volksgezondheid in de twintigste eeuw (Nijmegen, 1996)
Een bijzonder omvangrijk werk dat veel informatie geeft over de beweging voor de geestelijke gezondheidszorg onder de katholieken in de twintigste eeuw.