Onderwijs
Meer weten: literatuur, internet

 

Inleiding

Tot 1795 was het in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden niet toegestaan het katholieke geloof openbaar te belijden: er was dus ook geen katholiek onderwijs. Dit zorgde met name in het zuiden van Nederland voor onvrede. Deze en andere protesten leidden in 1848 tot de vrijheid van onderwijs. Vanaf 1860 barstte de schoolstrijd los: confessionele scholen kregen namelijk nog geen financiële ondersteuning van de overheid, terwijl openbare scholen wel geld ontvingen. Na het einde van de schoolstrijd in 1920 nam het aantal katholieke scholen, vaak gesticht door religieuze ordes en met een geestelijke voor elke klas, snel toe. Ook werden er katholieke universiteiten gesticht. Na de seculariseringsgolf van de jaren 1960 verdween de belangstelling voor op religieuze beginselen onderwijs gestoeld echter snel. Toch zijn er tegenwoordig nog veel scholen die de titel ‘katholiek’ in hun naam hebben, maar vaak gaat het hier ook alleen om de naam: er staan geen geestelijken meer voor de klas en de lessen hebben geen religieus karakter meer.

 

Inhoud

- Het onderwijs tussen 1795-1860
- De schoolstrijd (1860-1920)
- Ondertussen: over kwaliteit en leerplicht (1860-1900)
- Nieuwe schooltypes en democratisering van het onderwijs (1920-1960)
- Katholieke karakter
- Ontzuiling in de onderwijswereld? (1960-2000)
- Priesteropleidingen

 

Het onderwijs tussen 1795-1860
Tot 1795 was het in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden niet toegestaan het katholieke geloof openlijk te belijden. Ook officieel katholiek onderwijs bestond niet; het onderwijs was op protestantse leest geschoeid. Met de Bataafse Republiek in 1795 werd vrijheid van godsdienst (officieel werd geen enkele religie meer bevoorrecht) in het huidige Nederland ingevoerd, katholiek onderwijs was daarmee nog niet gegarandeerd.
 

Nu was het onderwijs in de Nederlanden überhaupt nog niet zo ver ontwikkeld. Vooral op het platteland gingen kinderen vrijwel niet naar school, of volgden alleen een paar jaar onderwijs: ze moesten al vanaf jonge leeftijd werken op het land van hun ouders en dit liet geen tijd voor scholing. In Nederland was dan ook nog geen leerplicht: dit zou ten eerste te veel geld kosten, en ten tweede was het volgens de toen heersende consensus de verantwoordelijkheid van de ouders hoe de kinderen opgroeiden. De overheid kon alleen maar stimuleren. Het percentage analfabetisme was hoog: vooral in het zuiden lagen de percentages gemiddeld rond 30% voor mannen en zelfs 50% voor vrouwen. Het verbeteren van het lager onderwijs voor ‘het volk’ werd één van de kernpunten van de nieuwe republiek. Doel van het onderwijs was ‘dat onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld en zij zelven opgeleid worden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden’.
 

De lagere scholen werden onderscheiden in openbare (door de overheid onderhouden) en bijzondere (door particulieren gefinancierde) scholen. Deze laatste categorie viel uiteen in de eerste klasse (scholen van onder andere diaconieën, weeshuizen etc.) en de tweede klasse (particuliere scholen van onderwijzers die in de stad werden gehouden en gefinancierd werden door schoolgelden). De schoolwet van 1806 schreef klassikaal onderwijs voor; men concentreerde zich vooral op het leren lezen van de kinderen door middel van teksten die ook meteen voor zedenkundige opvoeding zorgde.
Scholen mochten, in overeenkomst met de eerder ingestelde vrijheid van godsdienst, geen religieus onderwijs geven: de overheid vond dit wel van belang maar het moest door de kerken zelf gegeven worden. Toch stonden er op de boekenlijst van scholen vaak vele godsdienstige en Bijbels geïnspireerde schoolboekjes die geen duidelijke sporen hadden van christelijke geloofsverdeeldheid maar die wel een protestantse geest uitademden.
Schoolopzieners, die vanaf 1813 het lager onderwijs controleerden, waren daarbij doorgaans predikanten van één van de protestantse kerken, dus ook hier bleef onofficieel de Gereformeerde Kerk (na 1816 de Hervormde Kerk geheten) nog erg veel invloed houden op het onderwijs.
Onvrede met het onderwijs
 

Met name in het zuiden van het land kreeg men steeds meer moeite met de protestantse smaak van het openbare onderwijs, maar ook protestanten beklaagden zich over het feit dat religieus onderwijs, anders dan uitleg over de algemeen christelijke waarden, niet op scholen was toegestaan. Een groeiende golf van protesten leidde ertoe dat in de grondwet van 1848 de vrijheid van onderwijs opgenomen werd: iedereen mocht zijn of haar eigen onderwijs geven (al werden er wel eisen aan de kwaliteit van het onderwijs gesteld). Confessionelen (katholieken en protestanten) konden vanaf dat moment hun eigen bijzondere (niet openbare) scholen stichten. De onderwijswet van 1857, een uitvloeisel van de vrijheid van onderwijs uit 1848, bepaalde dat de overheid verantwoordelijk was voor de financiering van openbare scholen. Confessionelen moesten hun eigen bijzondere scholen echter zelf bekostigen. De eisen die de overheid vervolgens bij de wet aan het onderwijs probeerde te stellen, betekenden een kostenstijging die in confessionele kring protest opriep.

 

De schoolstrijd (1860-1920)
De oprichting van confessionele scholen kwam eigenlijk pas goed op gang aan het einde van de jaren 1860. Gemeentebesturen waren er op uit om zoveel mogelijk openbare scholen te behouden om zo van de overheidsgelden te kunnen blijven profiteren en stimuleerden de ontwikkeling van bijzonder onderwijs daarom ook niet.
In 1868 vaardigden de Nederlandse bisschoppen een mandement (officiële brief) uit over het onderwijs. In het spoor van de antiliberale encycliek Quanta cura (1864), die staatsonderwijs afwees, noemden de bisschoppen neutraal onderwijs voor de jeugd een gevaar.
 

De strijd voor een gelijke overheidsfinanciering van het bijzonder onderwijs was een belangrijke motor achter de mobilisering van confessionele kiezers. Aan orthodox protestantse zijde was de Amsterdamse predikant Abraham Kuyper (1837-1920) de aanvoerder. Hij richtte in 1879 de Anti Revolutionaire Partij op. Aan katholieke zijde nam de priester Herman Schaepman (1844-1903) het voortouw. In 1888 volgde een nieuwe wet op het lager onderwijs, die in beperkte subsidie voor het bijzonder onderwijs voorzag. Daarop volgde een snelle uitbouw van dat onderwijs: in 1889 bedroeg het percentage bijzondere scholen 20. In 1917 werd de schoolstrijd ten slotte beslecht in een compromis tussen liberalen en socialisten enerzijds en confessionelen anderzijds: de gelijke overheidsfinanciering van bijzonder en openbaar onderwijs werd bij wet geregeld. Dit was een overwinning voor de confessionelen; in ruil hiervoor mochten de liberalen het algemeen kiesrecht invoeren.
Hierna nam de groei van bijzondere scholen een grote vlucht. Ging in 1900 nog 68,7 procent van de Nederlandse leerlingen naar een openbare school; in 1920 was dit nog maar 55 procent terwijl het bijzonder onderwijs al 45 procent van de leerlingen trok. In 1957, op het hoogtepunt van de verzuiling, zat maar liefst 90 procent van de katholieke kinderen op een katholieke school.

Ondertussen: over kwaliteit en leerplicht (1860-1900)
De onderwijswetten van 1857 en 1878 verhoogden op vele vlakken het kwaliteitsniveau van het Nederlandse onderwijs. Het budget voor onderwijs werd verhoogd, zodat in 1878 de overheid reeds een derde van het openbaar onderwijs bekostigde. Ook was dit de eerste wet die de leerplicht aan de orde stelde. De nieuwe generatie liberalen die in Nederland aan de macht waren wilden de schoolgang van kinderen stimuleren. Het ‘kinderwetje-Van Houten’ uit 1874 had al verboden dat kinderen beneden de 12 jaar in fabrieken konden werken; in de onderwijswet van 1878 werd het voor gemeentebesturen mogelijk gemaakt om te verbieden dat kinderen überhaupt gingen werken. Deze regelgeving bevorderde het schoolbezoek op het platteland enorm.
In 1900 werd uiteindelijk de leerplichtwet ingevoerd. Alle confessionelen behalve Schaepman en nog een katholiek stemden tegen deze wet: men vreesde dat dit het ouderlijk gezag zou aantasten en zolang er niet genoeg bijzondere scholen waren, zouden kinderen verplicht naar een openbare school moeten gaan.

Nieuwe schooltypes en democratisering van het voortgezet onderwijs(1920-1960)
Vanaf de jaren 1920 maakt het onderwijsstelsel in Nederland een sterke groei door. In de eerste jaren van de twintigste eeuw zag men voorgezet onderwijs nog als iets voor de elite: voor de rest was de lagere school meer dan voldoende. Echter, met de industrialisatie van Nederland en het daarmee opkomende administratief apparaat kwam er langzaam maar zeker een groeiende behoefte aan hoger geschoolden. In 1936 genoot 74 procent van de kinderen alleen maar lager onderwijs, in 1968 was dit nog maar 27 procent. Ook het kleuteronderwijs werd gemoderniseerd: de ‘bewaarscholen’, waar men kleuters onderbracht, werden omgevormd tot zogenaamde ‘scholen voor voorbereidend onderwijs’ die veel meer dan voorheen gericht waren op voorbereiding voor het lager onderwijs.


In de periode tussen 1920-1950 zien we naast grotere leerlingenaantallen ook een aantal nieuwe schooltypen opkomen: de U.L.O. (Uitgebreid Lager Onderwijs, een vorm van voortgezet onderwijs die vooral op het platteland voor grote verbeteringen in het onderwijspeil zorgde), de H.B.S. (Hogere Burger School, bereidde leerlingen voor op of een maatschappelijke positie, of verder studeren aan de universiteit) en de M.M.S. (Middelbare School voor Meisjes) zorgden hiervoor. Daarnaast stuurden ouders die het zich voorheen zich niet konden veroorloven nu met behulp van financiële steun van de overheid hun kroost steeds vaker naar een H.B.S. of universiteit.
Katholieken richtten allemaal hun eigen H.B.S.-en, U.L.O.’s en M.M.S.-en op. Het totaal aantal Rooms-Katholieke M.M.S. en H.B.S.-en steeg explosief: in 1920 waren er nog maar 4; in 1950, op het toppunt van de verzuiling, liefst 34 (tegen 34 protestants-christelijke en 38 openbare). Met de stichting van de eerste katholieke universiteit te Nijmegen in 1922 en de oprichting van de R.K. Handelshoogeschool in 1927 in Tilburg was er van nagenoeg ieder schooltype een katholieke variant.

Katholieke karakter
De katholieke scholen werden vaak gesticht door ordes. Aan het hoofd van de klas stonden dan ook broeders of zusters uit die orde. Voordat bijzondere en openbare scholen in 1917 gelijkgesteld werden droegen deze congregaties de kosten van het onderwijs zelf. Zusters doceerden aan de bewaarscholen, naaischolen en in het lager onderwijs; de broeders gaven les op jongensscholen. De broeders en zusters waren goedkope krachten die enorme inzet toonden. Enkele van de grootste congregaties waren de broeders van Maastricht en de fraters van Utrecht en Tilburg. Ze hadden een eigen uitgeverij, onderwijsinspectie en zelfs lerarenopleidingen. Binnen deze congregaties was alles goed op elkaar afgestemd zodat men efficiënt kon werken. De kinderen van de Nederlandse katholieke elite gingen vaak naar de Jezuïetencolleges in onder andere Nijmegen en Amsterdam. Hier kregen ze hoogstaand onderwijs zodat ze later een vooraanstaande plaats in de maatschappij konden bekleden.
Godsdienstlessen (catechese) waren een belangrijk onderdeel van het onderwijs aan katholieke scholen. Hiernaast zongen kinderen vaak klassikaal katholieke liederen, gingen ze wekelijks samen biechten, leerden de leerlingen over katholieke normen en waarden en begonnen ze de dag met een gebed. Afgezien hiervan waren de katholieke scholen qua vakkenpakket gelijk aan de openbare: taal en rekenen waren de belangrijkste vakken.
Wat typerend was voor het onderwijs in de katholieke zuil was dat het al snel gescheiden werd naar sekse. In de protestantse en openbare scholen gaf men les aan jongens en meisjes, maar het lager en voortgezet onderwijs in met name Brabant en Limburg was na 1900 voor een groot deel niet meer coëducationeel.

Ontzuiling in de onderwijswereld? (1960-2000)
Aan het begin van de jaren 1960 begon de ontzuiling van de Nederlandse maatschappij: men vroeg zich steeds meer af waar de relevantie lag in een op een geloofsovertuiging gebaseerde organisatie. Echter, in het onderwijs bleven de verzuilde structuren gewoon bestaan. Een verklaring voor het nog zo lang blijven bestaan van het verzuilde onderwijsstelsel kan gezocht worden in het feit dat de confessionele partijen in de naoorlogse kabinetten altijd zeer sterk aanwezig zijn geweest. De overheid mocht zich niet met het onderwijs bemoeien.
Desalniettemin onderging het katholieke onderwijs een aantal belangrijke veranderingen in deze periode. Op steeds meer scholen werd de scheiding naar sekse afgeschaft: in 1970 had ongeveer 80% van alle katholieke bijzondere scholen gemengde klassen. Jongens en meisjes gingen voortaan naar dezelfde school en zaten bij elkaar in de klas. Ook brokkelde het katholieke karakter van middelbare scholen af. De maatschappelijke en sociale positie van religieuzen in het onderwijs veranderde: hun status ging van fanatieke voorvechter van onderwijsvernieuwing naar ‘sta-in-de-weg’ voor katholieke leken die het onderwijs wilden hervormen. Bovendien zag niet-katholiek Nederland hen als onderdeel van het rooms-katholieke machtsblok dat onderuit gehaald moest worden. De aantallen broeders en zusters namen snel af: er kwam geen nieuwe instroom meer.
 

Vanaf de jaren 1970 nam het aantal katholieke scholen af. De scholen die tegenwoordig overgebleven zijn, zijn vaak alleen nog katholiek ‘in naam’. Het primaire doel is niet meer de kerkelijke leer aan de leerlingen over te dragen en het onderwijs staat niet langer direct in dienst van de kerk. In het algemeen is er sprake van een ruim, christelijk ‘kader’ (al varieert de definitie hiervan aanzienlijk). Door de grote instroom van buitenlandse kinderen die niets met het katholicisme hebben staat het katholieke karakter veel scholen op de tocht. Ook door de ontkerkelijking van de autochtone bevolking zelf hebben veel Nederlanders geen katholieke achtergrond meer, of weten ze steeds minder van hun katholieke wortels. In Nederland gaan op dit moment nog 34% van de leerlingen in het primair- en voortgezet onderwijs naar katholieke scholen, in totaal bijna 820.000 kinderen.
Ook op universitair niveau trad de ontzuiling in de jaren 1960 in. Sinds 2004 is de naam van de universiteit Nijmegen veranderd in ‘Radboud Universiteit Nijmegen’, al wordt het katholieke deel in de statuten nog wel vermeld en blijft het motto ‘In Dei Nomine Feliciter’ (‘Mogen wij in Gods naam gelukkig voortgaan’). De universiteit Tilburg had zichzelf in 1986 ‘Katholieke Universiteit Brabant’ genoemd maar maakte daar in 2002 simpelweg ‘Universiteit van Tilburg’ van.

Priesteropleidingen
Een katholieke onderwijsvorm die wel te lijden had onder de secularisering van de maatschappij was het priesterseminarie, een aparte categorie in het katholieke onderwijsstelsel. In de jaren 1960 sloten de Nederlandse bisschoppen en de priesterordes ongeveer vijftig seminaries en plaatsten de priesteropleidingen aan één van de vijf nieuwe theologische scholen in universiteitssteden. In 1974 stichtte bisschop Gijsen van Roermond weer een seminarium (dat van Rolduc) omdat hij vond dat de priesteropleidingen te weinig priesters voortbrachten. Gedurende de periode 1979-1997 volgden de andere bisschoppen Gijsens voorbeeld allemaal. Op dit moment is het enige instituut dat nog universitaire opleidingen tot het priesterambt verzorgt de Faculteit Katholieke Theologie in Tilburg (met ook een vestiging te Utrecht).
De Universiteit van Tilburg herbergt tegenwoordig ook de faculteit ‘Katholieke theologie’: deze faculteit ontstond in 2007 na samenvoeging van de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de Universiteit van Tilburg en de Faculteit Katholieke Theologie Utrecht. Nijmegen koos ervoor om niet deel te nemen aan deze fusie: ze verloor in 2006 de bevoegdheid om canonieke graden te verlenen, ook al is aartsbisschop Eijk de grootkanselier van de theologische faculteit.

.

Meer weten
Literatuur:

 

P. Boekholt en E. De Booy, Geschiedenis van de School in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd (Assen 1987)

Een overzichtswerk dat veel inzicht geeft in de ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs. Het boek richt zich niet alleen op het katholieke onderwijs, maar bevat wel veel informatie over dit onderwerp.

 

A. Bartels, Een eeuw middelbaar onderwijs. 1863-1963 (Groningen 1963)

In dit boek is veel kwantitatieve informatie te vinden over het middelbare onderwijs in de negentiende en twintigste eeuw.

 

Internet:

Zie ook de informatie over onderwijs in het gedeelte 'Geschiedenis van het Nederlands katholicisme' op deze site.