Katholieke pers
Meer weten: literatuur, internet

In de periode tussen 1648 en 1795 had de Nederduits-gereformeerde kerk een bevoorrechte positie in Nederland: katholieken mochten hun geloof niet in het openbaar belijden. Om deze reden werd ook de uitgave van katholieke publicaties bemoeilijkt, maar dankzij het relatief tolerante klimaat en met gebruik van fictieve drukkersadressen konden er wel katholieke uitgaven van de pers komen. Van confessioneel gebonden nieuws- en weekbladen was nog geen sprake in deze tijd. Vanaf 1795, na het afschaffen van de religieuze bevoorrechting, konden katholieke bladen in principe openlijk verschijnen. Dat gebeurde ook, maar de beginperiode was moeizaam door de protestantse tegenwind en door het kleine aantal abonnees. De katholieke identiteit werd in elk geval voor de nieuwsbladen veelal verborgen gehouden. Met de invoering van het dagbladzegel in 1869 veranderde dit: kranten konden goedkoper geproduceerd worden. Bovendien gingen langzamerhand meer katholieken kranten lezen en dus wapperde het katholieke vaandel steeds vaker in de titelkop van nieuw opgerichte kranten. Na 1900 stond de katholieke pers bovendien in dienst van de emancipatiestrijd: katholieken mochten alleen maar katholieke kranten lezen en de inhoud was steeds meer tegen de andere zuilen gericht. De kerk probeerde de katholieke redacties door onder meer het aanstellen van geestelijke adviseurs te controleren en de gelovigen binnen de eigen zuil te houden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel katholieke bladen opgeheven of overgenomen door de Duitse bezetter; in de periode 1945 tot 1960 kende de katholieke pers echter weer een grote bloei. Toen na 1960 de ontzuiling intrad kwam hier een einde aan: lezers zagen geen relevantie meer in een specifiek katholieke pers. Rond 1980 was het aantal katholieke bladen dan ook dramatisch gedaald. Tegenwoordig is de katholieke krant vrijwel uitgestorven; het aantal katholieke tijdschriften is echter wel nog redelijk groot.  

Inhoud

-         Katholieke pers verboden (1648-1795)

-         ‘Neutrale’ katholieke pers (1795-1869)

-         Dagbladzegel en snelle groei (1869-1900)

-         De kerk en de katholieke pers

-         Pers als emancipatiemiddel (1900-1940)

-         Concurrentiestrijd met neutrale pers

-         Naoorlogse bloei (1945-1965)

-         Ontzuiling (1960-1975)

-         De katholieke pers nu 

 

Katholieke pers verboden (1648-1795)

Tot aan het einde van de achttiende eeuw was er zo goed als geen sprake van een katholieke pers. In de Republiek genoot het calvinisme van de Nederduits-gereformeerde kerk een bevoorrechte positie. Openbare uitingen van katholiciteit, waaronder een katholieke pers, waren niet toegestaan. Toen in 1795 de Bataafse Republiek werd uitgeroepen was er echter, naar Frans ‘Verlicht’ voorbeeld, geen plaats meer voor religieuze bevoorrechting. In feite kwam dit neer op vrijheid van godsdienst.

 

‘Neutrale’ katholieke pers (1795-1869)

Een pionier in de wereld van de katholieke pers was Joachim George Le Sage ten Broek. Hij richtte in 1822 de eerste Nederlandse katholieke courant op: de Roomsch catholijke courant (na drie maanden omgedoopt tot Nederlandse catholijke courant, en vervolgens in december 1822 de Noord-Nederlandse courant). De naamsverandering is karakteristiek voor de positie van deze krant in de toenmalige samenleving: protestanten verdroegen een openlijk katholieke krant nog niet. In december 1823 verscheen de krant alweer voor het laatst.

 

De uitgevers van de Noord-Nederlandse courant probeerden het in 1829 nog een keer: drie maal per week gaf men, vanuit Den Bosch, De Noord-Brabander uit. Ditmaal werd de katholiciteit verborgen onder het vaandel van onpartijdigheid. In de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen er langzaam meer katholieke week- en dagbladen maar ook zij hielden vaak hun katholiciteit nog verborgen (zoals de in 1868 te Alkmaar opgericht De Nieuwe Noord-Hollander). Men deed zich neutraal voor om problemen te voorkomen.

 

Het eerste uitgesproken katholieke nieuwsblad, De Tijd, verscheen op 17 juni 1845. De Tijd heeft haar katholiciteit nooit verborgen. Dit leidde tot veel problemen, waarvan het voortdurend geringe aantal abonnees (veel katholieken durfden hun geloof nog niet openlijk te belijden) de voornaamste zorg was. Bovendien moest de redactie haar zelfstandigheid ten opzichte van de bisschoppen proberen te bewaren. Deze vonden een van de kerk onafhankelijke katholieke pers gevaarlijk en probeerden zo veel mogelijk controle over De Tijd te krijgen.

 

In 1867 kwam het eerste nummer van de Katholieke Illustratie uit: het door Henri Bogaerts opgerichte weekblad wist al snel katholieke prominenten als Alberdingk Thijm en Schaepman aan te trekken en werd razend populair. Men schreef voor de katholieken, het ‘eigenlijk volk’: voornaamste doelstelling was om hen te leren lezen en goede katholieke lectuur te geven.

 

Dagbladzegel en snelle groei (1869-1900)

1869 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van de pers: het dagbladzegel, een soort belasting op kranten en tijdschriften, werd afgeschaft. Hierdoor halveerde de prijs van kranten. Doordat daarmee de financiële drempel voor uitgave van kranten werd verlaagd, was het gemakkelijker nieuwe bladen te beginnen en ook om een krant vaker per week te laten verschijnen. De snelle technologische vernieuwingen droegen daarnaast bij aan het sneller en goedkoper drukken van de bladen. Door de industriële revolutie kwamen er veel nieuwe producten op de markt waarvoor reclame gemaakt moest worden: dit zorgde voor grotere advertentie-inkomsten voor de pers. Ten slotte was er door de uitbreiding van het kiesrecht en van het onderwijs een groter potentieel leespubliek en bovendien zorgde de verbetering van het transport voor een snellere verspreiding van het drukwerk. Het resultaat was dat er steeds meer verschillende katholieke bladen werden uitgegeven en dat het lezersaantal onder de katholieke bevolking sterk toenam.

 

De oprichters van deze nieuwe bladen zijn veelal als ‘katholieke helden’ afgeschilderd, maar de zakelijk belangen waren vaak net zo groot als de ideële. Het is dan ook geen toeval dat het met name drukkers waren die in deze periode katholieke bladen begonnen.

 

De kerk en de katholieke pers

Toen na 1869 de bestaansvoorwaarden voor de lokale pers zeer gunstig waren en er steeds meer boeken werden uitgebracht, was lezen niet meer iets alleen voor de elite. De katholieke kerk wees echter het lezen af, vooral als het ging om ontspanningsliteratuur. Romans zouden anti-katholieke boodschappen bevatten en ervoor zorgen dat de lezer verkeerde ideeën over de juiste levensstijl kreeg. In de vastenbrief van 1867 riep aartsbisschop Zwijsen al op tot oppassen voor ‘slechte’ dagbladen: men moest zich niet tot foute gedachten laten verleiden door liberale of socialistische kranten.

 

In het laatste decennium van de negentiende eeuw ging het episcopaat de pers toch steunen. De katholieke journalisten werd gevraagd elkaar niet te bestrijden en de Nederlandse katholieken werden opgeroepen om alleen maar katholieke bladen te lezen. Bovendien vroeg het episcopaat hen ook om advertenties en inzendingen aan de katholieke bladen af te staan, opdat de katholieke pers haar werkzaamheden voort kon zetten.

 

Pers als emancipatiemiddel (1900-1940)

Rond 1900 ligt de omslag van een defensief naar een offensief katholicisme. De pers werd een machtsmiddel in de katholieke emancipatiestrijd. Nieuwe bladen werden opgericht, bestaande bladen verschenen steeds vaker, er kwamen meer bijlagen, zondagsbladen, rubrieken; alles met steun van de geestelijkheid.

 

Naarmate het katholicisme zich in Nederland steeds offensiever ging opstellen werd de rol van de geestelijkheid in de katholieke pers groter. Neutrale bladen zouden een verderfelijke invloed hebben dus moesten katholieken katholieke bladen lezen. De geestelijkheid hield bij huisbezoek in de gaten of er geen liberale kranten op de huistafel lagen. In 1918 bepaalden de bisschoppen zelfs dat elke katholiek die regelmatig anarchistische of socialistische kranten las, zijn geloof verloren had en dus geen sacrament meer mocht ontvangen.

 

De geestelijkheid probeerde niet alleen de lezer te beïnvloeden: ook de redacties van de kranten zelf werden in de gaten gehouden. In het begin van de twintigste eeuw werd steeds vaker een reguliere of seculier priester als ‘censor’ bij een katholieke krant aangesteld: deze moest letten op de navolging van de katholieke leer en de manier waarop de krant de toepassing van de leer op het dagelijks leven adviseerde. Sommige bladen waren volgens de Kerk niet ‘katholiek’ genoeg: aan een dergelijk blad werd dan plaatsing van de kerkberichten onthouden. Een uitgever die een nieuw blad wilde beginnen moest bovendien toestemming aan de bisschop en om aanstelling van een censor vragen. Af en toe nam de geestelijkheid zelf het initiatief tot stichting van een blad. Deze bladen werden gezien als een spreekbuis voor de kerk, iets wat ze niet populair maakte bij de bevolking (‘Van de courant geen preekstoel maken’).

 

Concurrentiestrijd met neutrale pers

Vanaf het einde van de negentiende eeuw zetten de Nederlandse bladen en tijdschriften de concurrentiestrijd om de lezer in. De katholieken probeerden potentiële klanten over te halen tot het afsluiten van abonnementen door het aanbieden van illustraties en extraatjes zoals scheurkalenders of zelfs ongevallenverzekeringen. Ondanks alle inzet van katholieke zijde hielden de neutrale kranten een voorsprong: ze brachten meer nieuws, waren actueler en kenden een hogere oplage. Het feit dat de kerkelijke overheid zich in deze periode, zoals hierboven beschreven, steeds meer met de pers ging bemoeien hielp niet: de aantrekkingskracht van de neutrale pers werd hierdoor alleen maar sterker.

 

Naast de katholieke dag- en weekbladpers verschenen er nog tal van andere tijdschriften, kwartaal- en maandbladen, uitgegeven door de bonte diversiteit van katholieke organisaties en belangengroepen, door kerkelijke en religieuze instanties, door culturele en sportverenigingen.

 

In het Interbellum verschenen er zeer veel katholieke kranten. Dit leidde in deze jaren reeds regelmatig tot fusies (met name tussen de lokale blaadjes). Door de snelle toename van het aantal katholieke kranten rees de vraag of men de concurrentie moest toelaten zodat er een zo hoog mogelijke kwaliteit ontstond, of de bladen concentreren zodat de krachten gebundeld konden worden. Pas in de jaren 1960 werd deze discussie vanzelf opgelost toen veel kranten samengingen, meestal vanuit de noodzaak veroorzaakt door de ontzuiling.

 

Naoorlogse bloei (1945-1965)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten de meeste bladen, ook de katholieke, hun uitgave op last van de Duitse bezetters staken. Een van de weinige kranten die bleef verschijnen was De Tijd. In 1946, toen de pers weer aan het opkrabbelen was, werd het Katholiek Nederlands Persbureau (KNP) opgericht. Het KNP beleefde een bloeiperiode in de jaren zestig, toen de snelle ontwikkelingen binnen de Nederlandse Katholieke Kerk veel aandacht trokken in binnen- en buitenland. Tot ongeveer 1965 kenden de katholieke bladen, met name De Volkskrant (in 1919 opgericht door de katholieke arbeidersbeweging), een bloeiperiode.

 

Ontzuiling (1960-1975)

De snelle veranderingen binnen de Katholieke Kerk in de jaren zestig hebben ertoe bijgedragen dat er een einde kwam aan de bloei van de katholieke pers. Door deconfessionalisering, dagbladconcentratie en redactionele samenwerking verdween ook de behoefte aan een eigen katholiek persbureau: in 1973 werd het KNP opgeheven. Het episcopaat probeerde wel om de katholieke pers te blijven steunen, omdat ze nog steeds een belangrijke, met het apostolaat verbonden, taak zag weggelegd voor de katholieke bladen, maar de lezers vonden de katholiciteit van hun krant of tijdschrift steeds minder relevant.

 

Twee van de landelijke katholieke kranten, De Tijd uit Amsterdam en De Maasbode uit Rotterdam, fuseerden in 1959 tot De Tijd – De Maasbode, waarbij De Maasbode van meet af aan ondergeschikt was aan De Tijd. In 1965 verdween het woord ‘De Maasbode’ uit de titel. In 1974 kon De Tijd niet langer als dagblad blijven verschijnen en werd het een weekblad. In 1990 fuseerde weekblad De Tijd met de Haagse Post (een bij oprichting in 1914 liberaal, maar vanaf de jaren zeventig links opinieblad) tot HP/De Tijd, een weekblad dat anno 2009 nog verschijnt.

 

In 1965 schrapte men bij De Volkskrant de ondertitel ‘Dagblad voor het katholieke volk in Nederland’ om ook niet-katholieke lezers als abonnee te winnen. Na de Nacht van Schmelzer in 1966 werden de banden met de KVP, die sinds de Tweede Wereldoorlog zeer sterk waren geweest, definitief doorgesneden. Hierna werd De Volkskrant vrij snel een algemeen blad met linkse stempel. Tegenwoordig heeft De Volkskrant een progressief imago waar geen spoor van het katholicisme meer in te bekennen is.

 

De Katholieke Illustratie had in 1968 het adjectief ‘katholieke’ uit haar naam gehaald. Als Illustratie kon het blad nog tien maanden blijven bestaan. Toen ging het samen met Revu in de Nieuwe Revu. De Katholieke Illustratie, bolwerk van de katholieke emancipatie, had zijn taak volbracht.

 

De katholieke pers nu

Tegenwoordig verschijnen er geen katholieke dagbladen meer. De katholieke kranten die nog uitgegeven worden bevatten bovendien alleen nog maar kerk-gerelateerd nieuws. Het wekelijks verschijnende, conservatieve Katholiek Nieuwsblad is hier een voorbeeld van. Wel zijn er nog veel katholieke websites die dagelijks ge-update worden en waar veel nieuws over kerkelijke onderwerpen te vinden is. Er zijn nog wel veel katholieke tijdschriften. Er zijn nog wel veel katholieke tijdschriften: in 2008 bedraagt het aantal ongeveer 110 (dit tegenover 90 periodieken in 1920 en, een hoogtepunt, 325 in 1950). Hieronder zijn tijdschriften die op een algemene groep zijn gericht, zoals bijvoorbeeld  Catholica (een katholiek magazine voor Nederland en Vlaanderen) of Herademing (een tijdschrift ‘voor spiritualiteit en mystiek’). Het merendeel heeft echter een specifieke doelgroep, zoals Dominicaans Perspectief (tijdschrift van en voor de Dominicanen in Nederland) of Wonderwel (een catechetisch tijdschrift voor kinderen van 7-11 jaar).

.

Meer weten
Literatuur:

- Mechteld de Coo-Wijgerinck, Otto S. Lankhorst en Jan Roes (red.), De gezegende pers. Aspecten van de katholieke persgeschiedenis in Nederland tijdens de 19de en 20ste eeuw (Zeist, 1989)
Een omvangrijk en veelomvattend werk over de geschiedenis van de katholieke pers in de negentiende en twintigste eeuw.

- Otto S. Lankhorst, Bibliografie van Katholieke Nederlandse Periodieken, deel 1: Dag- en weekbladpers (Nijmegen, 1999)

-Frank van Vree, Van Kruistocht tot kruisgang: de bewogen geschiedenis van een katholiek persbureau (Nijmegen, 1988)
Een bijdrage aan het Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum van 1988, waarin de historie van het Katholiek Nederlands Persbureau (KNP) verteld wordt.

- Hans Vermeulen, "Ik blijf de Maasbode trouw tot in de dood": de mythe van een fusie (Nijmegen, 1988)
Een bijdrage aan het Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum van 1988, dat verhaalt over de roemruchte fusie tussen de Maasbode en De Tijd.

- Jan van der Pluijm, De Volkskrant: hoe "katholiek" uit kop en kolommen verdween (Nijmegen 1988)
Een bijdrage aan het Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum van 1988, waarin beschreven wordt hoe de Volkskrant zich ontwikkelde van de innige na-oorlogse relatie met de KVP tot de verbreking van de banden met deze partij na de Nacht van Schmelzer (1966) en het verwijderen van het 'katholieke' deel van de titel in 1965.

- Ben Boersma, Knuppels in het hoenderhok van godsdienst en politiek? Katholieke opinieweekbladen in Nederland in de twintigste eeuw (Nijmegen, 1988)
Een bijdrage aan het Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum van 1988, waarin de auteur schrijft over de geschiedenis van de katholieke opinieweekbladen in de twintigste eeuw.

- Herman Pijfers, Achteraf: uit het Rijke Roomsche Leven van de Katholieke Illustratie (Nijmegen, 1988)
Een bijdrage aan het Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum van 1988 over de geschiedenis van de vaak prachtig versierde en in grote oplages verschenen periodiek de 'Katholieke Illustratie'.

Internet: