Ouderen
Meer weten: literatuur, internet

De betekenis van ' oud zijn' verandert voortdurend. Het is een relatief begrip waar mensen door de eeuwen heen andere betekenissen aan hebben gegeven. Naast de veranderende betekenis van oud zijn bestaan er vaak in een samenleving veschillende visies op ouderdom. Die zijn cultureel bepaald. Dat mensen tegenwoordig veel ouder worden dan pakweg vijftig jaar geleden, is ook van invloed op onze visie op wie of wat oud is. .

Anders dan bij andere levensfasen bestaan er in de katholieke cultuur geen specifieke rituelen rond ouderdom. Wel genoten (en genieten) ouderen, onder wie ook priesters en religieuzen, een bepaald aanzien op het gebied van geloofszaken. Zij kenden de traditie.   

De woonsituatie van ouderen was divers. Sommigen woonden tot op hoge leeftijd zelfstandig, terwijl anderen inwoonden bij kinderen of andere familieleden. Voor (ongehuwde) vrouwen of weduwen waren soms ook hofjes: een aantal één- kamerwoninkjes waar vaak alleen vrouwen woonden. Degenen die geen eigen huis hadden en niet bij anderen konden inwonen, vonden een onderkomen in zogeheten armenhuizen of oudeliedengestichten. Voor welgestelde ouderen waren er zogenoemde pensions voor de welgestelde ‘ouden van dagen’. Veel ouderen bleven echter gewoon thuis wonen, of bij hun eigen kinderen en kleinkinderen. Vaak bleef één van de kinderen bij de ouders in huis wonen. Zij of hij nam dan de zorg voor de eigen ouders op zich en zette - als dat van toepassing was - het eigen bedrijf van vader en moeder voort.

Zorg voor behoeftige ouderen, die niet meer konden werken, was lange tijd een vorm van liefdadigheid. Familie, kerkelijke en particuliere instanties namen deze verantwoordelijkheid op zich. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw, met de opbouw van de verzorgingsstaat, ontstonden sociale voorzieningen die we nu in Nederland kennen, zoals de AOW of de bijstandsuitkering. Ouderenzorg veranderde daardoor van een gunst in een recht waarop iedereen aanspraak kon maken.

Aanvankelijk waren de kerkelijke liefdadigheidsinstellingen kleinschalig. Aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw groeiden zij echter uit tot vaak zeer grote en goed georganiseerde instellingen. Na de Tweede Wereldoorlog professionaliseerden de katholieke liefdadigheidsinstellingen, mede onder druk van eisen die de overheid stelde in ruil voor subsidies. Er kwamen nieuwe ( katholieke) bejaardentehuizen, waar in de jaren zestig veel ouderen naar toe verhuisden. Hoewel de religieuzen langzaam uit het personeelsbestand van de bejaardentehuizen verdwenen, bleef de katholieke identiteit behouden. Niet alleen omdat de bewoners katholieken, maar ook omdat, het personeel en het stichtingsbestuur aan de de katholieke identiteit hechtte, die meestal in de naam van de instelling tot uitdrukking kwam.  

Door de invoering van de algemene ouderdomswet (AOW) in 1957 hoefden ouderen na hun vijfenzestigste niet meer te werken en ontvingen ze een bescheiden pensioen van de staat. Doordat ouderen nu financieel onafhankelijk waren konden ze zich als maatschappelijke groep emanciperen. Zo organiseerden de katholieke ouderen zich onder andere in de Katholieke Bond voor Ouderen.

Na de daling van het kerkbezoek, die zich inzette vanaf de jaren zestig, zijn ouderen de kerk blijven bezoeken. Tegenwoordig vormen in veel Nederlandse parochies ouderen de meerderheid van de kerkbezoekers. Ook zijn zij vaak actief als vrijwilliger bij kerkelijke activiteiten.

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
pensionkamer tweede klasse
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
bejaardenzorg
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Rozenkransen maken
Meer weten
Literatuur:

Annemarie de Wildt, Willem van der Ham, (red.) Hinke Wiggers Tijd van leven: ouder worden vroeger en nu’ (Amsterdam 1993)

Deze uitgave geeft een beknopt overzicht van diverse facetten rondom de ouderdom. Aan bod komen onder andere de vragen: hoe werd er tegen de ouderen aangekeken en hoe was de woonsituatie van de ouderen. Naast korte informatieve teksten zijn er veel bronnen gebruikt om de tekst te verduidelijken. Achter in het boekje staat een bruikbare beknopte literatuurlijst.

Rineke van Daalen, Marijke Gijswijt Hofstra (red.)Gezond en Wel: vrouwen en de zorg voor gezondheid in de twintigste eeuw’ (Amsterdam 1998)

Vanuit historische, sociologische en cultureel- antropologische perspectief wordt de rol van de vrouw in de gezondheidszorg geschetst. De hoofdstukken die voor dit onderwerp relevant zijn, zijn: Liefdewerk oud papier: een eeuw uitvoerend huishoudelijk werk door Jannie Poestra, Zorg op de grens van prive en publiek: Weduwen en Gemeentelijk verzorgingshuis voor Ouden van Dagen, Amsterdam, 1875-1970 van Catharina Th. Bakker en “De verpleegster zij in de eerste plaats vrouw van karakter”: ziekenverpleging als vrouwen zaak (1898-1998) van Nanny Wiegman.

Prof.dr. M.J van LieburgOver Weldoeners en wezen, bejaarden en bedeling: uit de geschiedenis van de katholieke wezen- en bejaardenzorg te Delft’ (Rotterdam 1996)

Dit is een casestudie van de wezen en bejaardenzorg in Delft en beschrijft de geschiedenis en ontwikkelingen van de katholieke gestichten. Het boekje is voorzien van mooie foto’s en goed bronmateriaal, en is zeer gedetailleerd.

Marjolein van der Kolk- Kousemaker,‘Het Beleid van het Witte Kruis, Het Groene Kruis en Het Wit- Gele kruis over de periode 1875- 1945’ (Utrecht 2005)
Dit proefschrift beschrijft zeer gedetailleerd de opkomst en ontwikkeling van de drie kruisverenigingen. De hoeveelheid aan kennis die het proefschrift presenteert is overweldigend, waardoor het overzicht wat moeilijk te bewaren is.

Marit Monteiro, ‘Vroomheid in veelvoud: Geschiedenis van de Fransiscanessen van Oirschot, 1797- 1997 (Hilversum 2000)
In haar verhaal besteedt Marit Monteiro onder andere aandacht aan de ontwikkelingen in de (bejaarden)zorg. Ze beschrijft op verfijnde manier hoe er van binnenuit tegen de modernisering en de secularisering werd aangekeken en hoe de zusters de veranderingen hebben opgevangen en ervaren.

Judith Koelemeijer, ‘Het zwijgen van Maria Zachea’ (Zuthpen 2001)

In Het zwijgen van Maria Zachea, beschrijft Koelemeijer de familie van haar vader: acht broers en vier zussen, geboren tussen 1934 en 1953 in het Zaanse dorp Wormer. Het boek is een geschiedenis van een groot katholiek gezin in de snel veranderende tijden van de tweede helft van de twintigste eeuw. Daarnaast is het een verhaal over hoe de zorg van een langzaam stervende moeder moet worden opgevangen door de familie.

Internet:

Artikel in het Erasmusplein
Dit artikel gaat over het veertig jarig jubileumfeest van de katholieke vereniging van woon en zorg centra (KVWZ). In het artikel wordt onder andere gesproken over de oprichting van de vereniging, de zorg die geboden werd aan de bejaarden en de opkomst en ontwikkeling van de bejaardencentra.

De Katholieke Bond voor Ouderen
De website biedt informatie over de unieKBO in de media, de belangenbehartiging en activiteiten die zij aan hun leden aanbieden. De afkorting KBO wordt echter niet uitgelegd. Ook is op de site geen informatie over de geschiedenis en de oprichting van de eerste KBO te vinden. De katholieke identiteit komt minimaal naar voren.

De zonnebloem
De site van de stichting biedt een volledig overzicht van de stichting en zijn activiteiten. Hoewel ook deze vereniging katholiek van oorsprong is, wordt deze niet naar voren gebracht.