Katholieken en andere christenen

Nederlandse katholieken beschouwden hun eigen kerk als de ware kerk, maar ze waren zich er goed van bewust dat hun beleving van het christendom niet de enige was. De meesten hadden dagelijks met protestanten te maken, die het op hun beurt belangrijk vonden in hun geloofsbeleving vooral niet op katholieken te gaan lijken. Zij noemden hen ‘roomsen’ wegens hun band met èn verering voor de paus, de bisschop van Rome. In hun ogen was katholicisme maar een armzalige vorm van christendom. Zelf lazen zij dagelijks in de bijbel, terwijl katholieken zich Gods woord door de priesters lieten verbieden. Protestanten stelden weliswaar prijs op degelijk onderricht door de dominee, maar als bemiddelaar in hun relatie met God hadden ze hem strikt genomen niet nodig. Katholieken waren daarentegen aangewezen op de sacramenten en de bediening daarvan was (en is) voorbehouden aan de geestelijkheid. Vooral het sacrament van de biecht sprak bij niet-katholieken tot de verbeelding. In de ogen van protestanten, calvinisten met name, die hun eigen zondigheid heel serieus namen, maakten katholieken zich er gemakkelijk van af. Kenmerkend voor de Nederlandse situatie, want afwijkend van vele andere Europese landen, is intussen dat de uitgesproken tegenstellingen in de geloofsleer vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw zelden tot gewelddadige confrontaties hebben geleid. De wederzijdse minachting heeft niet tot godsdienstoorlogen geleid.

De leiders van de katholieke kerk in Nederland hebben hun gelovigen steevast gewaarschuwd voor de omgang met andere christenen. Deze liet zich weliswaar niet vermijden, maar al te gemoedelijk moest het er niet aan toe gaan. Zo werd er bijvoorbeeld gewaarschuwd voor ‘gemengde verkering’: een huwelijk tussen een protestant en een katholiek gold als hoogst bedenkelijk. Werden de eventuele kinderen straks wel in de katholieke geest opgevoed? In protestantse kring was al evenmin sprake van tolerantie. In hun anti-protestantse ijver hebben katholieken geestelijken in hun preken en onderwijs het contrast met de reformatorische leer sterk aangezet. Maar aangezien men zich er voortdurend van bewust was dat de protestantse buren als het ware meekeken, ontwikkelde zich op den duur toch een geloofspraktijk die wel wat protestantse trekjes vertoonde: sober, ingehouden, bezinnend. Daarmee kreeg het Nederlandse katholicisme een eigen profiel, minder uitbundig bijvoorbeeld dan in homogeen katholieke landen. Dit was vooral in het gebied boven de grote rivieren het geval. In Noord-Brabant en Limburg, waar katholieken althans getalsmatig domineerden, werd het katholieke geloof ook in het openbaar uitgedragen, al bleef men ook daar buitenshuis voorzichtig, want gezien de bevoorrechte status van de calvinistische kerk golden ook daar lange tijd allerlei verboden, bijvoorbeeld ten aanzien van processies en bedevaarten.

Pas rond het midden van de twintigste eeuw zijn christenen van verschillende geloofsrichtingen meer respect voor elkaar gaan opbrengen. In het kader van de oecumenische beweging hebben zij sindsdien sterker gezocht naar wat hen verbindt dan wat in het verleden tot scheiding heeft geleid. Jezus Christus heeft al zijn volgelingen immers tot eenheid opgeroepen. In dit proces heeft Nederland, ongetwijfeld ook door de multi-confessionele samenstelling van de bevolking, een pioniersrol vervuld. Overigens is de leiding van de katholieke kerk in de laatste jaren wat terughoudend ten aanzien van de toenadering tot protestanten en legt (weer) meer nadruk op het eigen profiel.