1960-1975: Los van de kerk
Meer weten: literatuur,

pag 1 - 2 - 3

Het Pastoraal Concilie en andere vernieuwingen in de Nederlandse rooms-katholieke kerk kregen veel aandacht in de internationale pers. Die aandacht verhulde dat er eigenlijk drie stromingen onder Nederlandse katholieken bestonden: een progressieve en vernieuwingsgezinde groep, een argwanende tot ronduit behoudende, en ten slotte een grote middengroep die relatief kerktrouw was, maar in toenemende mate onverschillig werd. Die onverschilligheid voor de kerk wortelde in de naoorlogse veranderingen op cultureel, sociaal, economisch en politiek gebied. Op de naoorlogse jaren van tucht en ascese volgde welvaart, die de inrichting en uitbouw van de verzorgingsstaat mogelijk maakte. Dit had ingrijpende gevolgen voor de relatie tussen individu en staat. Vormen van zorg die voorheen als gunst waren beschouwd, golden nu als recht, waarop iedere burger aanspraak mocht maken. Organisaties op levensbeschouwelijke grondslag bouwden mee aan de verzorgingsstaat, maar verloren daarmee hun specifieke identiteit, en dus hun aantrekkings- en werfkracht. Confessionele verschillen boetten aan betekenis in naarmate de samenleving veranderde, welvarender werd en meer mogelijkheden bood voor individuele ontplooiing.

Welvaart bevorderde de sociale mobiliteit. Opleiding en salaris werden belangrijke nieuwe maatstaven voor iemands maatschappelijk aanzien, iemands afkomst of kerklidmaatschap speelde daar een steeds minder grote rol in. Vanaf de jaren 1950 was bovendien de visie op de rol van vrouwen in de samenleving aan het veranderen. Het patriarchale christelijke wereldbeeld, waarin vrouwen per definitie voor het moederschap of een leven als religieuze binnen de door God gewilde orde waren voorbestemd, verloor terrein. Vrouwen, werkende jongeren, studenten en hoger opgeleiden werden de dragers van verandering in de jaren 1960. Zij weigerden zich – al dan niet publiekelijk - te schikken naar traditionele rolpatronen en hamerden op de vrijheid om tegen de heersende normen in hun leven zelf in vrijheid vorm te geven. Aan gevestigd gezag, of het nu de overheid of kerken waren, hadden zij steeds minder boodschap. Welvaart en een veranderend mensbeeld beïnvloedden het geloofsleven van katholieken. Op zondag was dat te zien, doordat de eucharistievieringen steeds minder gelovigen trokken. Tussen 1966 en 1970 daalde het kerkbezoek met bijna 20% van 64,4% naar 46,3% van de katholieken. Liever dan aan de zondagsplicht te voldoen gingen steeds meer katholieken op hun vrije dag iets anders doen, bijvoorbeeld een stukje toeren met de auto, om die vervolgens in een berm te parkeren en daar te picknicken en te kijken naar voorbijrijdende auto’s. In kerkelijke kring werden deze ontwikkelingen met zorg gadegeslagen, maar ze werden vanuit een ‘theologie van de secularisatie’ optimistisch geïnterpreteerd als teken dat katholieken afstand namen van bevoogdende autoriteiten. Van ontkerkelijking leek nog geen sprake

1 - 2 - 3

Meer weten
Literatuur:

K. Schuyt en E. Taverne, 1950: Welvaart in zwart-wit (Den Haag 2000).
W. Goddijn, J. Jacobs en G. van Tillo, Tot vrijheid geroepen. Katholieken in Nederland 1945-2000 (Baarn 1999) deel II.

Rooden, P. van, ‘Oral history en het vreemde sterven van het Nederlandse Christendom’, Bijdragen en Mededlingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 119 (2004) 524-551.