1940-1960: Doorbraak?
Meer weten: literatuur,

pag 1 - 2

Het streven naar een nieuw, onverzuild maatschappelijk en politiek bestel kreeg direct na de bevrijding in mei 1945 gestalte in de Nederlandse Volks Beweging. Deze beweging, waarin ook katholieken als de latere minister-president Jan de Quay (1901-1985) het voortouw namen, was maar een kort leven beschoren. Wat bleef was het Nederlands Gesprekcentrum.

De bisschoppen voelden niets voor een doorbraak, maar zetten koers op een ‘herzuiling’. Zij werden daarin gesteund door de vooroorlogse katholieke leiders, die hamerden op een ‘rechtsherstel’ van hun door de Duitsers opgeheven organisaties. Deze koers paste in de wederopbouwmentaliteit van ‘de lange jaren vijftig’ (1945-1960), die ook wel zijn omschreven als de jaren van tucht en ascese. De hernieuwde opbouw van het land vergde soberheid, hard werken en een uitstel van materiële behoeftebevrediging. De overheid stimuleerde de industrialisatie, matigde de lonen en streefde naar volledige werkgelegenheid. Nederland moest zich wat ontzeggen om er weer bovenop te kunnen komen.
          
Niet alleen materieel maar ook moreel herstel stond hoog op de agenda, omdat de oorlogsjaren ook de traditionele moraal (mijn en dijn, vriend en vijand, gij zult niet doden) hadden ondergraven, en daardoor hadden gezorgd voor wat werd opgevat als ‘morele ontwrichting’. Het herzuilingsbeleid van de bisschoppen leek vruchten af te werpen. De organisatiegraad onder de katholieken was hoger dan ooit. Bij wijze van voorbeeld: anno 1955 stond bijna 90% van de katholieken geregistreerd als luisteraar van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het geboortecijfer onder katholieken was – in vergelijking met dat van geloofsgenoten in Duitsland en België - hoog. Bovendien daalde het aantal gemengde huwelijken (tussen katholieken en protestanten), wat wees op een vermindering van de contacten tussen de gezindten. De katholieken leken zich weer in hun eigen subcultuur terug te trekken.

Er waren echter ook tegengestelde signalen. Katholieke jeugdorganisaties verloren na de oorlog een derde van hun leden. Ook het aantal jongens dat priester wilde worden, nam in de jaren 1950 gestaag af. Op politiek vlak nam een kleine groep katholieken vanuit de Nederlandse Volks Beweging afstand van de vanzelfsprekendheid dat katholieke politiek per definitie gebonden was aan de KVP. Zij meldden zich als lid van de Partij van de Arbeid en vormden daarbinnen de Katholieke Werkgemeenschap (KWG). Ook op intellectueel en religieus terrein weigerden vooral hoger opgeleide katholieken zich in hun contacten tot geloofsgenoten te beperken. Zij vormden een kritische onderstroom in de eigen gemeenschap. Tijdschriften als Te elfder ure, G3 en De Bazuin getuigden van die openheid en van een nieuw zelfbewustzijn van katholieke leken. Informele oecumenische gesprekskringen die voor en tijdens de oorlog waren ontstaan, kregen na de oorlog een institutionele voortzetting in de Sint Willibrordvereniging. Daarin werden mogelijkheden voor toenadering en samenwerking tussen de christelijke gezindten verkend, zonder een spoor van de vooroorlogse katholieke bekeringsijver. Op moreel vlak kwam de strenge katholieke zedenleer ter discussie te staan onder invloed van nieuwe visies op geestelijke gezondheidszorg. Onder aanvoering van A.J.H. Bartels en de psychiater C. Trimbos bracht het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg een omslag teweeg van een moraliserende naar een psychologiserende benadering van opvoedings- en relatieproblemen.

Sinds 1900 was het aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking gestaag gegroeid. Bij de volkstelling van 1947 bleek dat zij inmiddels de grootste confessionele groep vormden. Bovendien liet die telling zien dat er haast evenveel katholieken ten noorden van de grote rivieren woonden, als ten zuiden daarvan. De noordelijke bisdommen Utrecht en Haarlem telden 48,4% van de katholieken, de zuidelijke bisdommen ’s-Hertogenbosch, Breda en Roermond 51,6%. (zie kaart)

Parochiepriesters constateerden begin jaren 1950 ‘onrust in de zielzorg’: gelovigen begonnen afstand te nemen van het (over)georganiseerde katholicisme. Bij de herdenking van het honderdjarig bestaan van de bisschoppelijke hiërarchie in 1953 riep aartsbisschop – inmiddels kardinaal – De Jong zijn geloofsgenoten op om de eenheid te bewaren. Na verloop van tijd bleek dat het bisschoppelijk Mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd voor veel katholieken te ver ging: zij namen afstand van een gesloten katholicisme.

pag 1 - 2

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
de eerste eucharistieviering uitgezonden op televisie
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
KVP-poster
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
spotprent over het bisschoppelijk mandement
Meer weten
Literatuur:

P. Luykx, Andere katholieken. Opstellen over Nederlandse katholieken in de twintigste eeuw (Nijmegen 2000)  9-41.

M.G. Spiertz, ‘De aartsbisschop B.J. Alfrink voor een dilemma: het moeizaam ontstaan van het Mandement van 1954’, Trajecta: tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden 5, 3 (1996) 243-274.

F.P.M. D'Haens, De Katholieke Werkgemeenschap in de Partij van de Arbeid en de politieke doorbraak, In: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum, 4(1974), p. 59-98.