1890-1940: Verzuild en onverzuild

Eind negentiende eeuw vormden de katholieken een derde deel van de Nederlandse bevolking. De meeste katholieken woonden in het zuiden van het land, in de provincies Brabant en Limburg, die vrijwel homogeen katholiek waren.
Enerzijds heerste in katholieke kring de overtuiging dat de verworven vrijheid bewaard en uitgebouwd moest worden. De erfenis van een minderheidsreligie maakte enigszins behoedzaam, terwijl ook ultramontaanse tendensen, gericht tegen de moderniteit, de neiging versterkten zich in een eigen confessionele subcultuur te verschansen. Anderzijds was er naast het levensbeschouwelijke isolement als emancipatiestrategie ook sprake van een groeiend katholiek zelfbewustzijn. Dat kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de enorme materiële en personele ondersteuning van het missiewerk, in het streven om het geloof ook in eigen land te verbreiden door talrijke bekeringsinitiatieven gericht op andersgelovigen.

Vanaf 1890 verzuilde Nederland. De samenleving kende vier segmenten of zuilen op levensbeschouwelijke of ideële grondslag: de liberale, protestantse, katholieke en socialistische zuil. De mate van ‘verzuildheid’ binnen die segmenten verschilde, maar de katholieke zuil was zeker de meest krachtig ontwikkelde. Tussen 1900 en 1940 ontstond een wijdvertakt netwerk van organisaties op maatschappelijk, politiek, cultureel en recreatief terrein. Na de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs in 1917 versnelde de groei van het katholieke onderwijs, zodat in 1957 maar liefst 90% van de katholieke kinderen en jongeren op een katholieke school zat. Deze uitbouw was voor een groot deel te danken aan de inzet van vrouwelijke en mannelijke religieuzen. De organisatorische ‘roomse dadendrang’ moest er vooral voor zorgen dat katholieken letterlijk alles in eigen kring konden doen en krijgen: van opleiding tot vermaak, van zorg tot belangenbehartiging en van de dagelijkse krant tot een halve liter melk. Kenmerkend voor deze organisatorische structuur was de scheiding naar sekse, stand en leeftijd.

Dit zelfgekozen levensbeschouwelijke isolement moest de katholieke identiteit in eigen kring op alle niveaus versterken. Vervolgens konden katholieken dan zelfbewust naar buiten treden om zich als confessionele groep krachtig in de samenleving te manifesteren. Deze manifestatie leidde periodiek tot nieuwe antipapistische oprispingen.

Bovendien ging deze emancipatiestrategie vanaf 1920 knellen. Katholieken moesten ‘roomsch in alles’ zijn, maar sommigen vonden de invloed van de geestelijkheid op het alledaagse leven, in de politiek en in de media te ver gaan. Aan de kerkelijke controle over het dagelijkse leven waren nauwelijks grenzen gesteld, zodat de persoonlijke, meer of minder strikte, instelling van individuele geestelijken vaak bepalend was. Het geloofsleven van katholieken was intensief en veeleisend, de clericale controle op hun gedrag eveneens. Sommigen protesteerden openlijk en fel, zoals radicale katholieke jongeren. Die keerden zich tegen het in hun ogen zelfgenoegzame katholicisme van katholieke voormannen in politiek en kerk en bepleitten een doorleefde en vurige geloofsbeleving. Wat liberaler ingestelde katholieken, veelal uit de maatschappelijke bovenlaag, lieten zich minder aan de geestelijkheid gelegen liggen, bijvoorbeeld door niet op de RKSP te stemmen, niet louter katholieke kranten te lezen of zich niet te houden aan het verbod op geboortebeperking dat in de katholieke seksuele moraal vastlag.

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
percentage katholieken in Nederland in 1899
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
processie bij het 6e eeuwfeest van het mirakel van amsterdam
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
eucharisitisch congres in 1924
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
spotprent over de katholieke zuil
Meer weten
Literatuur:

Pieter de Coninck e.a., Roomsch in alles. Het rijke roomse leven 1900-1950 (Zwolle/Utrecht 1996).

Marjet Derks, Heilig moeten. Radicaal-katholiek en retro-modern in de jaren twintig en dertig (Hilversum 2007).

Ewoud Kieft, Het plagiaat. De polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken (Nijmegen 2006).

Paul Luykx,  Andere katholieken. Opstellen over Nederlandse katholieken in de twintigste eeuw (Nijmegen 2000).