1800-1890 (4): Mobilisering
Meer weten: literatuur,

pag 1 - 2 - 3 - 4

In 1868 vaardigden de Nederlandse bisschoppen een mandement (officiële brief) uit over het onderwijs. In het spoor van de antiliberale encycliek Quanta cura (1864), die staatsonderwijs afwees, noemden de bisschoppen neutraal onderwijs voor de jeugd een gevaar. Het onderwijs werd bij uitstek het terrein waarop overheid en kerken (katholieke en orthodox protestante) elkaar de zeggenschap betwistten. De onderwijswet van 1857, die een uitvloeisel was van de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in de grondwet van 1848, bepaalde dat de overheid verantwoordelijk was voor de financiering van openbare scholen. Voor de overheid was onderwijs een instrument om onderdanen tot deugdzame burgers van de nationale staat op te voeden, een instrument dat neutraal diende te zijn. Confessionelen twijfelden aan die neutraliteit, maar hechtten bovendien aan een religieus stempel op het onderwijs, waarvan ook zij de ‘identiteitsstichtende’ waarde onderkenden. Zij moesten hun eigen ‘bijzondere’ (= op godsdienstige grondslag) scholen echter zelf bekostigen. De eisen die de overheid vervolgens bij wet aan het onderwijs probeerde te stellen, betekenden een kostenstijging die in confessionele kring protest opriep.

De strijd voor het bijzonder onderwijs was een belangrijke motor achter de mobilisering van confessionele kiezers. Aan orthodox protestantse zijde was de Amsterdamse predikant Abraham Kuyper (1837-1920) de aanvoerder. Hij richtte in 1879 de Anti Revolutionaire Partij op. Aan katholieke zijde nam de priester Herman Schaepman (1844-1903) het voortouw. Hij was in 1880 in de Tweede kamer gekozen en publiceerde drie jaar later Een katholieke partij. Proeve van een program. Verder dan een programma kwamen de katholieke politici niet; het zou nog tot 1926 duren voordat de Roomsch-Katholieke Staats Partij (RKSP) werd opgericht. Inzet van beide politieke leiders was de uitbreiding van het kiesrecht, waardoor een liberale kamermeerderheid overstemd zou kunnen worden en eigen, confessionele belangen gediend.

In 1888 volgde een nieuwe wet op het lager onderwijs, die in beperkte subsidie voor het bijzonder onderwijs voorzag. Daarop volgde een snelle uitbouw van dat onderwijs: in 1889 bedroeg het percentage bijzondere scholen 20. In 1917 werd de schoolstrijd tenslotte beslecht, toen de gelijke overheidsfinanciering van bijzonder en openbaar onderwijs bij wet geregeld werd.
 
pag 1 - 2 - 3 - 4

Meer weten
Literatuur:

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum 2005) hoofdstuk 10.