1800-1890 (3): Emancipatie op politiek en cultureel gebied
Meer weten: literatuur,

pag 1 - 2 - 3 - 4

Streven naar een christelijke samenleving


Tot ongeveer 1860 hadden de over het algemeen liberaal georiënteerde katholieke politici (de zogeheten papo-thorbeckianen) hun liberale collega’s, onder wie Thorbecke, die verantwoordelijk voor de grondwetsherziening van 1848, gesteund. Tussen 1860 en 1890 voltrok zich een breuk tussen deze katholieken en het liberalisme. Katholieken gingen, onder invloed van nieuwe, ultramontaanse opvattingen hierover in Rome, het liberalisme vereenzelvigen met de moderne centralistische staat, die de kerk aan banden probeerde te leggen uit angst voor een theocratie of een cleritocratie (een samenleving geregeerd door geestelijken). Katholieken, maar ook de orthodox gereformeerden ontwikkelden een confessionele politieke agenda, die zich tegen zulk staatsabsolutisme keerden. Zij wilden de vrijheid van godsdienst benutten om een door en door christelijke samenleving op te bouwen.

De grondwet van 1848 had de vrijheid van godsdienst en daarmee religieuze keuzevrijheid definitief verankerd. Dit betekende echter ook dat de gevestigde geloofsstromingen moesten proberen gelovigen aan zich te binden. Kerkelijke gezagsdragers en ambtsdragers waren er bovendien op bedacht de invloed van kerk en geloof op de samenleving zo groot mogelijk te houden. Vooral op het terrein van het onderwijs ontstond in het derde kwart van de negentiende eeuw een competentiestrijd tussen staat en kerk, tussen liberale politici die religie zoveel mogelijk uit het publieke domein wilden weren enerzijds, en katholieken en orthodoxe protestanten die zich tegen dit streven naar neutraliteit keerden. Zij zouden elkaars bondgenoten worden in de schoolstrijd.

Culturele emancipatie

In deze fase begonnen katholieken zich ook op cultureel gebied nadrukkelijk te manifesteren. Uitgever en publicist J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889) maakte naam met tijdschriften als Volksalmanak voor Nederlandsche katholieken (1852-1890) en de Dietsche warande (1855-1899). Onder aanvoering van architect Pierre Cuypers (1827-1921) werd het neoclassicisme verruild voor de neogotiek. Deze bouwstijl ontwikkelde zich tot een dragend element van de katholieke identiteit. In vorm en stijl sloeg zij een brug naar de (geïdealiseerde) Middeleeuwen, toen het religieuze monopolie van het katholicisme nog onaangetast was. Tegelijkertijd symboliseerde zij de weerstand van de katholieke kerk tegen de moderne, liberaalkapitalistische maatschappij met haar antikerkelijke tendensen.

De arts Willem J.F. Nuyens droeg er met zijn Geschiedenis van de Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw (1865-1870) aan bij dat Opstand niet louter met de Reformatie werd geassocieerd. In de dominante liberale visie gold de Opstand als bakermat van de nationale identiteit, die vooral als protestants gezien werd. Voor katholieken was deze toeëigening van het verleden en de daarop berustende constructie van nationale identiteit te eenzijdig en omstreden. Geschiedenis, zo begreep Nuyens, vervulde niet alleen een sleutelrol in de ontwikkeling van een specifiek Nederlandse katholieke identiteit, maar ook van een nieuwe nationale identiteit, waarin de katholieken geïntegreerd moesten worden. Een eigen rooms verleden veroveren, ontginnen en kapitaliseren was een proces dat zich in een meervoudig spanningsveld voltrok: tussen ‘nationaal’ en ‘confessioneel’ erfgoed, tussen ‘protestantse’ en ‘katholieke’ waarderingen en interpretaties van dat erfgoed. De profilering van een eigen katholieke identiteit steunde op in de Middeleeuwen gelocaliseerde gebruiken, bijvoorbeeld een sterke devotionaliteit en heiligenverering.

Deze verovering – of herovering – van het katholieke verleden werd noodzakelijk geacht, maar bleek ook ingewikkeld, zoals de heiligverklaring van de Martelaren van Gorcum in 1867 verduidelijkt. Het initiatief hiertoe lag bij Pius IX, die de martelaren beschouwde als het symbool van trouw aan de H. Stoel. Hij eigende zich als het ware het Nederlands nationaal verleden toe voor ultramontaanse doeleinden. De Nederlandse bisschoppen waren verlegen met dit strijdbare contrareformatorische geschiedbeeld, dat niet paste in een meer verzoenende versie van de Opstand die zich in Nederland ontwikkelde. Zij wisten ervoor te zorgen dat de Gorcumse martelaren vooral als vaderlandse heiligen en nationaal-katholieke helden tot de eer der altaren werden verheven. Als zodanig maakten zij deel uit van een Nederlandse heiligencultuur waar vanaf 1890 Lidwina van Schiedam en vanaf 1925 Petrus Canisius deel van uitmaakten. Deze heiligencultuur versterkte het katholieke groepsbesef en onderstreepte die eigenschappen waarmee negentiende-eeuwse katholieken zich graag vereenzelvigden: berustende volharding, onwrikbare geloofstrouw en loyaliteit aan de paus.

pag 1 - 2 - 3 - 4

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
spotprent schoolstrijd
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
spotprent martelaren van gorcum
Meer weten
Literatuur:

Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegescihiedenis (Hilversum 2005) hoofdstuk 10.

P.A.M. Geurts e.a., J.A. Alberdingk Thijm 1820-1889. Erflater van de negentiende eeuw (Baarn/Nijmegen 1992).

P. Raedts, ‘Katholieken op zoek naar een Nederlandse identiteit, 1814-1898’, BMGN
107 (1992) 713-725.

J.P. de Valk, Roomser dan de paus? Studies over de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme, 1815-1940 (Nijmegen 1998) 157-172.