1648-1800 (3): Vormgeving van een katholieke identiteit en kerkscheuring

Meer weten: literatuur,


pag 1 - 2 - 3 - 4

Na 1648 mochten katholieken hun geloof alleen nog maar in het geheim, in schuil- of schuurkerken belijden. Dit in tegenstelling tot de Zuidelijke Nederlanden, waar sprake was van een uitbundige, barokke geloofsbeleving, rijk aan bedevaartsoorden, in rijk versierde kerken, met een openbare en ook opzichtige heiligencultus.

De priesters die werkten in de Republiek, verschilden onderling van mening over de wijze waarop katholieken hun geloof zouden moeten vormgeven en beleven. Grofweg gezegd was er in dit opzicht een verschil tussen reguliere en seculiere priesters. Regulieren hoorden bij (internationale) kloosterordes en waren meestal in een klooster in de Zuidelijke Nederlanden opgeleid, waar zij ook hun ideeën over geloofspraktijk hadden opgedaan: Zij stimuleerden de verering van talrijke heiligen en organiseerden plechtige processies in hun schuilkerken. Zij benadrukten dat het katholicisme het enige ware geloof was, dat de strijd tegen het protestantisme en andere ‘ketterijen’ moest aangaan en ook zou winnen.

Seculiere priesters waren ook buiten de Republiek opgeleid (in Leuven, Keulen of Rome). Zij beschouwden zichzelf als de rechtmatige geestelijken in de Hollandse Zending: zij maakten deel uit van de (weliswaar verboden) bestuurlijke organisatie van de katholieke kerk in de Republiek, ze stonden namelijk direct onder het bestuur van de apostolisch vicaris. Regulieren moesten naast aan de apostolisch vicaris, ook aan het hoofd van hun orde gehoorzamen: zij stonden wat verder van de apostolisch vicaris af.  In tegenstelling tot de strijdbare regulieren wilden de seculieren de geloofspraktijk versoberen: zij wilden een katholicisme aangepast aan de situatie in de Nederlanden. Hun strategie was niet gericht op confrontatie met het protestantisme, maar op integratie in een samenleving waarin meerdere geloofsovertuiging naast elkaar bestaan en een goede verstandhouding met de regering van de Republiek. Zij wilden de protestanten laten zien dat ook katholieken vanuit de bijbel leefden en dat zij niet lichtvaardig omgingen met menselijke zondigheid. Deze priesters probeerden vooral de verering te bevorderen van ‘vaderlandse’ heiligen als Willibrord en Bonifatius en stimuleerden gebeden in het Nederlands, zoals het Wees gegroet. Zij probeerden de eenheid binnen de katholieke geloofsgemeenschap te bevorderen door de gelovigen aan te sporen om hun kinderen, of het nu meisjes of jongens waren, Maria als doopnaam mee te geven.

Achter de verschillen in de manieren waarop het katholieke geloof beleefd werd ging een diepgaand theologisch meningsverschil schuil. Daarbij kwam dat een aantal (seculiere) geestelijken vond dat de katholieke kerk in de Nederlanden weer een echt bestuur met een bisschop aan het hoofd moest krijgen, terwijl andere (vooral reguliere) geestelijken vonden dat de Nederlanden een missiegebied zonder bisschoppelijk bestuur moest blijven. Deze twee meningsverschillen leidden er uiteindelijk in 1723 toe dat een aantal seculiere geestelijken zich afscheidde van de katholieke kerk in Rome en onder de naam 'de Rooms-Katholieke Kerk van Oud-Bisschoppelijke Clerezie' verder ging. In de Republiek waren vanaf dat moment twee katholieke kerkgenootschappen: de Oud-Bisschoppelijke Clerezie en de Rooms katholieke kerk onder leiding van een apostolisch vicaris, benoemd door Rome. De regering van de Republiek voelde intussen weinig voor een katholieke kerk die onder een zo directe invloed van een buitenlandse vorst (de paus) stond en verbande in 1717 de toenmalig apostolisch vicaris. De Hollandse Zending werd sindsdien bestuurd door de pauselijke nuntius in Brussel.

pag 1 - 2 - 3 - 4

Meer weten
Literatuur:

Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999) hoofdstuk 6: Godsdienst en geloof.Beschrjiving boek Frijhoff en Spies:
Een brede cultuurhistorische synthese waarin de religieuze verhoudingen rond 1650 uitvoerig aanbod komen.

Jonathan Israel, De Republiek 1477-1806 (Franeker 1996).
Een zeer gedetailleerd overzichtswerk, waarin uitvoerig aandacht besteed wordt aan de religieuze verdeeldheid in de eerste helft van de zeventiende eeuw, de confessionele consolidatie in de tweede helft van die eeuw en de invloed van de verlichting in Nederland

A.Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (Amsterdam 2004).
Beschrijft het glorieuze tijdvak van de Gouden Eeuw die rond 1702 over haar bloei heen was en besteedt hierbij aandacht aan rol van religie.