1648-1800 (2): Katholieken in de Republiek

Meer weten: literatuur,


pag 1 - 2 - 3 - 4

Het verloop van de Opstand was bepalend geweest voor de confessionele verhoudingen. Anders gezegd: welke gebieden uiteindelijk protestants werden of katholiek bleven, hing af van de winst van de Staatse troepen op de Spanjaarden. In steden en gebieden die vóór 1621, het einde van het Twaalfjarige Bestand, weer in Spaanse handen waren gevallen, bleven katholieken over het algemeen in de meerderheid. Dat gold bijvoorbeeld voor Brabant en delen van Limburg, maar ook voor het oosten van Gelderland, de Achterhoek.
           
Daarnaast waren waarschijnlijk de lokale politieke omstandigheden mede bepalend voor de confessionele verhoudingen. Waar onbuigzame calvinistische predikanten veel invloed hadden op de stedelijke overheid, lag het percentage katholieken lager, dan waar verdraagzame regenten enig tegenwicht boden aan de predikanten. Dit verklaart waarom er grote verschillen in aantallen katholieken konden optreden in aangrenzende steden. In Alkmaar was in het eerste kwart van de zeventiende eeuw 45 % van de bevolking katholiek, in het nabijgelegen Enkhuizen slechts 5%, in Delft 35%, tegenover Dordrecht slechts 13%.
       
Tussen ca. 1650 en 1726 daalde het percentage katholieken in de Republiek van 47% tot 34%. Daarmee waren de katholieken nog altijd de grootste en belangrijkste confessionele minderheid in de Republiek. Hun kerk speelde in het openbare leven echter geen rol. De religieuze dienstverlening (dopen, huwelijkssluitingen) was voorbehouden aan de Nederduits-gereformeerde kerk. Dit betekende dat alle kinderen in deze kerk gedoopt (en daarmee ook voor de burgerlijke overheid geregistreerd) werden. Katholieken lieten hun kinderen vaak in het geheim overdopen door een priester. Ook als zij (wederom clandestien) ten overstaan van een priester waren getrouwd, dan moest deze verbintenis door een gereformeerde predikant worden bevestigd, al kon men in sommige gewesten dit ook door de overheid laten doen. Alleen degenen die lidmaat van de gereformeerde kerk waren, kwamen in aanmerking voor een overheidsambt. Het lidmaatschap van gilden werd geweigerd aan degenen die niet tot de publieke kerk behoorden.

Dit verklaart misschien waarom het aantal katholieken vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw daalde. Een aanvullende verklaring is het verschil in personele voorziening tussen de twee grootste concurrerende confessies. Rond 1650 telde de Republiek ongeveer 1500 predikanten en 500 priesters. Die 500 priesters waren verantwoordelijk bijna de helft van de bevolking, de protestantse predikanten voor (toen nog) rond een derde. De predikanten werden door de overheid betaald, terwijl katholieken zelf geld bijeen moesten brengen voor hun schuilkerken en priesters. Katholiek zijn kostte met andere woorden inspanning en geld.

pag 1 - 2 - 3 - 4

Meer weten
Literatuur:

Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999) hoofdstuk 6: Godsdienst en geloof.Beschrjiving boek Frijhoff en Spies:
Een brede cultuurhistorische synthese waarin de religieuze verhoudingen rond 1650 uitvoerig aanbod komen.

Jonathan Israel, De Republiek 1477-1806 (Franeker 1996).
Een zeer gedetailleerd overzichtswerk, waarin uitvoerig aandacht besteed wordt aan de religieuze verdeeldheid in de eerste helft van de zeventiende eeuw, de confessionele consolidatie in de tweede helft van die eeuw en de invloed van de verlichting in Nederland

A.Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (Amsterdam 2004).
Beschrijft het glorieuze tijdvak van de Gouden Eeuw die rond 1702 over haar bloei heen was en besteedt hierbij aandacht aan rol van religie.