1648-1800 (4): Godsdienstvrijheid

Meer weten: literatuur,


pag 1 - 2 - 3 - 4

In de tweede helft van de achttiende eeuw deden onder invloed van de Verlichting nieuwe, optimistische mensbeelden hun intrede: kritisch denkend en in staat om bij te dragen aan wat algemeen nuttig geacht werd. Deze visie riep de vraag op of de overheid nog wel een taak had om religieuze voorschriften in het publieke domein te handhaven. Moesten mens niet zelf verantwoordelijkheid dragen, in vrijheid kunnen zoeken naar het goede en het ware? Mocht niet ook de religieuze waarheid onderzocht worden? In dit verlichte mensbeeld werd religie een kwestie van innerlijke overtuiging, die stoelde op redelijke grondslag en niet op conventies die met steun van de overheid gehandhaafd werden.
           
Natuurwetenschappelijke ontdekkingen sinds de zeventiende eeuw hadden het denkvermogen van mensen laten zien. Isaac Newtons ontdekking van de zwaartekracht bood een wetenschappelijke, rationele verklaring voor een proces dat tot dan toe niet was begrepen en alleen verklaard kon worden door te verwijzen naar Gods onzichtbare hand in het universum. Een groeiende groep intellectuelen, natuurwetenschappers en filosofen kon allerlei verschijnselen uitleggen zonder zich te beroepen op God als schepper van hemel en aarde. Hun wereldbeeld raakte 'onttoverd', ontdaan van religieuze en ook magische elementen.

Deze onttovering was van invloed op de visie op religie in het algemeen. Onder invloed van de Verlichting groeide pragmatische religieuze tolerantie uit tot principiële tolerantie. Die principiële tolerantie wortelde vooral in het besef dat de verschillende geloofsstromingen in de Republiek een christelijke grondslag met elkaar gemeen hebben. Die gemeenschappelijke wortel ging zwaarder wegen dan confessionele verschillen, toen het streven naar een eenheidsstaat groeide. Die gedeelde grondslag berustte overigens wel op een scherp besef van verschillen met de islam of het boeddhisme. Theologen benadrukten dat er in Nederland geen moslims waren of boeddhisten of aanhangers van de Chinese wijsgeer Confucius. Intolerantie ten opzichte van niet-christelijke wereldgodsdiensten bevestigde een gedeelde christelijke grondslag.
           
In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. Geïnspireerd door de Franse Revolutie werd politiek particularisme, zoals dat in de Republiek gangbaar was geweest, uit de tijd verklaard. Er moest een eenheidsstaat komen, vormgegeven door verlichte, redelijke en deugdzame burgers. Oude mensbeelden, waarin de mens vooral aan God was overgeleverd, werden uit de tijd verklaard. Confessionele verscheidenheid gold als een bedreiging voor die nieuwe eenheidsstaat. Daarom werd geen enkele religie of kerkgenootschap in de nieuwe grondwet bevoorrecht. Feitelijk betekende dit de vrijheid van godsdienst.

De principiële tolerantie voor alle christelijke stromingen betekende dat religie geen reden tot uitsluiting meer kon zijn voor bijvoorbeeld overheidsfuncties. Verdraagzaamheid werd een algemeen maatschappelijk ideaal: een morele stelregel die als het ware los is komen te staan van de oorspronkelijke religieuze oorsprong. Door de nieuwe staatsinrichting en de verlichte idealen die daaraan ten grondslag lagen waren de katholieken voortaan vrij om hun godsdienst te belijden, zolang hun eredienst en andere uitingen van hun geloof de openbare orde niet verstoorden.

pag 1 - 2 - 3 - 4

Meer weten
Literatuur:

Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999) hoofdstuk 6: Godsdienst en geloof.Beschrjiving boek Frijhoff en Spies:
Een brede cultuurhistorische synthese waarin de religieuze verhoudingen rond 1650 uitvoerig aanbod komen.

Jonathan Israel, De Republiek 1477-1806 (Franeker 1996).
Een zeer gedetailleerd overzichtswerk, waarin uitvoerig aandacht besteed wordt aan de religieuze verdeeldheid in de eerste helft van de zeventiende eeuw, de confessionele consolidatie in de tweede helft van die eeuw en de invloed van de verlichting in Nederland

A.Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (Amsterdam 2004).
Beschrijft het glorieuze tijdvak van de Gouden Eeuw die rond 1702 over haar bloei heen was en besteedt hierbij aandacht aan rol van religie.