1517-1648 (1): De Reformatie: Christendom in Europa raakt verdeeld


pag 1 - 2 - 3

1517 geldt als sleuteljaar in de (west)Europese geschiedenis. In de herfst van dat jaar zwengelde Maarten Luther (1483-1546) een discussie aan over de aflaatpraktijk. De soms extravagante (en dure) levensstijl van de clerus werd onder meer bekostigd uit de opbrengst van aflaten. Luther wilde geen kerkscheuring veroorzaken, maar juist een (academische) gedachtewisseling op gang brengen over kerkelijke misstanden en de verbetering daarvan. Hij vreesde voor het zielenheil van de gelovigen, die al te zeer op de werking van de aflaten vertrouwden. In plaats daarvan moesten zij zich volgens hem meer vertrouwen op Gods rechtvaardigheid en zich concentreren op gebed en naastenliefde.

Kerk en staat waren ten tijde van Luther nauw met elkaar verweven. De heersende vorst Karel V was een overtuigde katholiek en regeerde in naam van God. Hij vond Luthers kritiek op de kerk gevaarlijk. De politieke eenheid in Karels uitgestrekte Habsburgse rijk (het Heilige Roomse Rijk) was gebaat bij godsdienstige eenheid. Hij hield daarom vast aan het katholicisme als de enig toegestane geloofsovertuiging en deed Luther in de ban. Wie in navolging van Luther de katholieke leer verwierp of het gezag van de kerk aantastte, werd ketter genoemd en was strafbaar. Hij vaardigde wetten (zogeheten plakaten) uit die verboden om de bijbel of anti-katholieke geschriften te bespreken. De straffen op overtreding varieerden van boete, en verbanning tot verdrinking, onthoofding en verbranding. Van 1521 voerde Karel in zijn rijk een afzonderlijk inquisitiesysteem in, naast de al bestaande kerkelijke inquisitie.

Karels opstelling heeft de politieke en religieuze verdeeldheid in Europa bevorderd. Na 1517 vond een reeks van reformaties plaats. Daarnaast – en deels in reactie daarop – was er ook sprake van een katholieke reformatie. Het christendom in Europa raakte verdeeld: katholieken, lutheranen (volgelingen van Luther) en calvinisten (volgelingen van Johannes Calvijn) vormen de grootste stromingen. Er was niet langer één universele of katholieke kerk (betekenis van katholiek = algemeen) maar een verdeeld christendom. Protestantse kerkvorsten in het Duitse Rijk verzetten zich tegen het door Karel opgelegde katholicisme. Dit conflict, dat bijna veertig jaar duurde, werd bijgelegd in 1555 bij het sluiten van de Godsdienstvrede van Augsburg. Deze ging uit van het principe cuius regio, eius et religio: degene van wie het land is, bepaalt ook welke godsdienst er zal heersen. Hier vond dan ook geen scheiding van kerk en staat plaats, terwijl individuele onderdanen geen godsdienstvrijheid hadden. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormde vanaf 1580 een uitzondering. Hier heerste namelijk geen staatsgodsdienst, maar was sprake van een publieke kerk die door de overheid werd bevoorrecht.

pag 1 - 2 - 3

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Maarten Luther
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Johannes Calvijn
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Karel V