1517-1648 (3): Religieuze verhoudingen in de Republiek

pag 1 - 2 - 3

De Republiek kende geen staatsgodsdienst, maar enkel een publieke bevoorrechte kerk. Als inwoner van de Republiek was je dus niet verplicht om lid te zijn van de publiek bevoorrechte kerk, wat wel het geval zou zijn geweest als de Republiek een staatsgodsdienst had gehad. De Nederduits gereformeerde kerk, die een calvinistische signatuur had, werd de bevoorrechte kerk. Zij had steun van de overheid, had kerkgebouwen in eigendom en mocht (door de overheid betaalde) predikanten aanstellen. In de Republiek gold religie als een politiek instrument dat sociale stabiliteit kon verzekeren Hoewel vrijzinnige regenten in de Noordelijke gewesten deels afkerig waren van al te fanatieke calvinistische predikanten en eigenlijk voorstanders van religieuze tolerantie waren, beschouwden ook zij religie toch als het beste middel om maatschappelijke rust te bevorderen. Daarom ook was men het erover eens dat er slechts één publieke kerk moest zijn: een situatie met meerdere publieke kerken zou de kans op conflicten tussen de verschillende geloven in de Republiek vergroten.

Katholieken als religieuze minderheid
Katholieken vormden de grootste religieuze minderheid in de Republiek. De
beeldvorming rond katholieken was tot diep in de zeventiende eeuw ronduit negatief. Anno 1656 was naar schatting nog 47 % van de bevolking katholiek. Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw won de Nederduits gereformeerde kerk terrein, niet alleen op de katholieken, maar ook op het relatief grote aantal
‘onkerkelijken’ dat er rond 1600 in dit gebied was. De katholieke kerk in de Republiek was inmiddels een clandestiene kerk, zonder eigen kerkgebouwen, kloosters, geestelijken,  kerkbestuurders of geregelde inkomsten. Toen de aartsbisschop van Utrecht in 1580 overleed, besliste de paus dat er geen opvolger benoemd zou worden. De Republiek was voor de Heilige Stoel, het bestuur van de katholieke kerk in Rome, een missiegebied geworden, een gebied dat tot het katholicisme moest worden bekeerd. Aan het hoofd daarvan stond een
apostolisch vicaris. Vanaf 1660 werd dit in de officiële correspondentie, die in het Latijn was, aangeduid als Missio Hollandica, de Hollandse Zending. De priesters die hier werkten, vielen vanaf 1622 rechtstreeks onder de Congregatie de Propaganda Fide in Rome, het kerkelijke bestuursorgaan voor de missie wereldwijd.
     
Het aantal priesters daalde dramatisch aan het einde van de zeventiende eeuw. Vanaf 1610 waren echter de eerste tekenen van herstel zichtbaar, ook in de groei van het aantal priesters. Bedroeg dat in 1616 nog 220, in 1656 waren het er naar schatting 600. In de Republiek waren geen priesteropleidingen. Jongemannen die priester wilden worden moesten naar de Zuidelijke Nederlanden of Duitsland uitwijken voor hun opleiding. Voor een goed functioneren had een priester bondgenoten nodig: familie, verwanten, vrienden of anderen. Tot die bondgenoten hoorden ook de zogeheten geestelijke maagden. Deze vrouwen verleenden priesters onderdak, financierden en zorgden voor het interieur van schuilkerken waar gelovigen samen konden komen voor de mis, gaven godsdienstlessen aan kinderen, zorgden voor arme en zieke geloofsgenoten, en investeerden ook financieel in hun kerk. Bondgenoten van priesters vormden de organisatie van een geloof dat officieel geen organisatie en voorzieningen mocht hebben. Dit was niet zonder risico, deze bondgenoten riskeerden in sommige steden en gewesten verbanning met verbeurdverklaring van hun goederen.

pag 1 - 2 - 3

Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Sasbout Vosmeer
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
Geestelijke maagd
Klik voor meer bronmateriaal op de afbeelding
interieur schuilkerk